Zoönosen
Ruim honderd zoönosen
De kennis over zoönosen is vooral de laatste decennia enorm toegenomen.
Op dit moment kennen we meer dan honderd ziekten die kunnen overgaan van dier op mens.
Ook is door onderzoek meer bekend geworden over de gevaren en risico's van een besmetting bij de mens.
Sommige zoönosen zijn alleen vooral hinderlijk, zoals trichophytie, een door een schimmelinfectie veroorzaakte huidaandoening.
Andere daarentegen kunnen ernstige symptomen geven en soms zelfs levensbedreigend zijn. Listeriose bijvoorbeeld kan hersenvliesontsteking veroorzaken.
Ook de ernst van het ziektebeeld kan sterk variëren bij mens en dier.
Sommige ziekten kunnen bij dieren zonder symptomen verlopen, terwijl zij bij de mens wel ernstige verschijnselen kunnen geven. Leptospirose is een voorbeeld van zo'n zoönose.
Besmettingsroute verschilt per zoönose.
Zoönosen zijn ziekten en infecties die op natuurlijke wijze worden overgedragen van gewervelde dieren op de mens.
Dit kan op verschillende manieren gebeuren:
- Direct contact met levende dieren (tuberculose), de nageboorte, verworpen kalveren (brucellose, salmonellose) of dode dieren (miltvuur).
- Via contact met dierlijke producten als urine (leptospirose), bloed of mest (salmonellose).
- Door het eten van besmet voedsel zoals rauwe melk (tuberculose, brucellose), vlees en eieren.
Dit type infectie valt ook onder de definitie van zoönose.
Problemen door voedselvergiftiging worden echter vaak niet veroorzaakt door een ziekteverwekker, maar bijvoorbeeld door gifstoffen die zich in voedsel ophopen.
Geen goede registratie
Komen zoönosen in Nederland veel voor?
Deze vraag is moeilijk precies te beantwoorden. Dat komt voornamelijk omdat de registratie van zoönosen op twee verschillende plaatsen plaatsvindt:
in de diergeneeskundige sector en in de menselijke gezondheidszorg.
Een indicatie van de mate van voorkomen is afkomstig van het onderzoek dat TNO Preventie en Gezondheid (PG) in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft uitgevoerd. TNO PG heeft daarbij onder andere gebruik gemaakt van gegevens over sterfte, ziekenhuisopnamen, arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim.
Volgens dit onderzoek wordt in Nederland jaarlijks bij ruim duizend mensen een zoönose vastgesteld, exclusief de voedselinfecties door salmonella en campylobacter.
Infecties met laatstgenoemde bacteriën geven in ons land al meer dan 400.000 klachten per jaar.
In de periode 1985 tot en met 1990 zijn per jaar gemiddeld 21 sterftegevallen geregistreerd met als waarschijnlijke doodsoorzaak een zoönose.
In 18 van deze 21 gevallen ging het om een voedselinfectie.
Zoönoserichtlijn
De duizend geregistreerde ziektegevallen geven een verre van compleet beeld van het werkelijke aantal besmettingen door zoönosen.
Lang niet alle mensen worden namelijk ziek na een infectie.
Bovendien worden niet alle ziektegevallen gerapporteerd omdat de mensen of geen contact opnemen met hun huisarts of omdat de ziekte door de arts niet als zodanig wordt vastgesteld.
De geregistreerde gevallen zijn dan ook slechts het topje van de ijsberg en aangenomen mag worden dat het aantal besmettingsgevallen vele malen hoger ligt.
Zoönosen vormen dan ook een reële bedreiging voor de volksgezondheid.
Om de consument en mensen die veel contact hebben met dieren tegen zoönosen te beschermen, heeft de Europese Commissie een zoönoserichtlijn (92/117/EEG) opgesteld.
Elke lidstaat is verplicht deze richtlijn in de eigen regelgeving op te nemen.
Europese richtlijn regelt het verzamelen van informatie over zoönosen en schrijft maatregelen voor om de overdracht van bepaalde zoönosen door dieren en dierlijke producten te voorkomen.
In de zoönoserichtlijn worden bijvoorbeeld bestrijdingsprogramma's voorgeschreven voor bepaalde dierziekten.
Dankzij bestrijdingsprogramma's voor brucellose, tuberculose en leptospirose komen deze ziekten bij de mens in ons land ook bijna niet meer voor.
Voorkom besmetting
In het algemeen valt in ons land de besmetting met zoönosen door direct contact tussen dier en mens mee.
Voor beroepsgroepen die veelvuldig contact hebben met dieren is het risico echter zeker niet verwaarloosbaar.
Tot de risicogroepen behoren naast veehouders bijvoorbeeld dierenartsen, schaapscheerders en mensen die werkzaam zijn in slachthuizen en in de leer- en wolindustrie.
Om het risico van een besmetting te verkleinen is het belangrijk hygiënisch te werk te gaan wanneer u contact heeft met zieke dieren.
Dit geldt vooral bij contact met aborterende dieren en dieren met diarree.
Als men helpt bij de verlossing van een dood kalf of lam doet men er verstandig aan lange plastic handschoenen te dragen.
Na contact is het van groot belang om de handen goed te wassen en te desinfecteren.
Omdat de meeste abortusverwekkers een risico inhouden voor zwangere vrouwen moeten zij extra voorzichtig zijn.
Zeker op bedrijven met abortusproblemen dienen zwangere vrouwen contact met drachtige en verwerpende dieren te vermijden.
Snel behandelen
Als iemand ziek wordt na contact met dieren, is het belangrijk zo snel mogelijk een huisarts te consulteren.
Mensen met een verminderde weerstand, zoals zieke mensen, oudere mensen en jonge kinderen, maar vooral ook zwangere vrouwen zijn extra gevoelig. Voor deze mensen kunnen infecties die bij gezonde mensen symptoomloos verlopen, dodelijk zijn.
Bij vroegtijdig behandelen zijn veel zoönosen relatief goed te behandelen.
Als men de ziekte echter langere tijd onder de leden heeft, raakt men de ziekte vaak meer zeer moeilijk kwijt.
Bron: Onbekend