Golden Retriever
Oorsprong
In het begin van de komst van de golden retriever werd deze nog gele retriever genoemd. De naam werd in latere jaren op grote schaal vervangen door de naam golden retriever, een naam bedacht door wijlen Lord Harcourt. Ook aan het begin van deze eeuw bestond er verwarring omtrent de oorsprong van het ras. Zwarte retrievers met een golvende vacht waren bekend in bepaalde kringen in het zuiden van Schotland, in die tijd waren echter met name zwarte labradors zeer populair.
Feitelijk waren gele retrievers nauwelijks bekend, behalve bij de leden van een paar adellijke families en hun naaste vrienden. Hun latere verspreiding over alle delen van Engeland was ook niet makkelijk te voorzien. Het is daarom tamelijk laat om te proberen de feiten op een rijtje te zetten en de waarheid te achterhalen.
Gelukkig is er nog steeds een onbetwiste bron van informatie voorhanden, Sir Dudley Marjoribanks hield vanaf 1835 een stamboek bij waarin hij de naam en herkomst noteerde van zijn setters, zijn pointers, zijn greyhounds en zijn spaniëls. Het stamboek vermeldt vanaf 1838 gedurende een jaar of twee ook beagles; in 1842 wordt er melding gemaakt van een retriever, een zwarte klaarblijkelijk en in 1852 pas van een volgende. In 1843 worden er Ierse spaniëls genoemd en de greyhounds maken voor het eerst plaats voor deerhounds in 1848. In 1854 kocht hij het landgoed Guisachan en vanaf dat moment werden zijn kennels enorm uitgebreid.
"To Retrieve"
De naam 'Retriever' is de aanduiding voor een aantal Engelse jachthondenrassen dat als belangrijkste taak het apporteren heeft. Overigens gebruikte men de naam Retriever reeds lang voordat de huidige Retrieverrassen bestonden. De naam stamt af van het Engelse werkwoord 'to retrieve', het beste te vertalen met terugvinden, ophalen of apporteren. Een Retriever was een hond die het geschoten wild en speciaal het gevleugelde wild, moest vinden en apporteren. Deze jachteigenschap was niet speciaal aan een bepaald ras gebonden, maar kon door alle mogelijke jachthonden worden uitgevoerd. Ze moesten echter allemaal aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze honden moesten een voorliefde voor water hebben, goed kunnen zwemmen, graag willen apporteren en een dichte vacht met goed isolerende onderwol bezitten. Door een geleidelijke verandering binnen de landbouw en verbetering van de jachtgeweren, waardoor men op grotere afstand het wild kon schieten, veranderde ook de wijze van jagen. Het gevolg daarvan was dat men ook andere eisen aan de jachthonden ging stellen.
De staande jachthonden, zoals Setters, Pointers en Spaniëls, die tot dan toen het meest voor de jacht werden gebruikt, jagen met een hoge neus. Op deze manier vangen zij de geur van het wild op en wijzen dit aan door "voor te staan". Nu werd het wild op grotere afstand beschoten en gebeurde het regelmatig dat het wild werd geraakt, maar niet gedood.
Zodoende kreeg het aangeschoten wild de kans om een goede schuilplaats te zoeken. De taak van de honden was nu het geschoten of aangeschoten wild te vinden en het te apporteren. Hiervoor had de jager een hond nodig met een goede neus, een goed herinneringsvermogen, een grote intelligentie, een ijzersterke conditie en een grote apporteerlust. De Pointers, Setters en ook Spaniëls die men voor dit doel had afgericht, bleken naderhand niet meer met de gewenste zekerheid te gaan voorstaan; daarbij ging de Pointer meestal ook niet graag in het koude water.
De Engelsen veroorloofden zich de luxe om voor ieder jachtdoel een aparte hond te fokken en zo kwamen ze op de Retriever, een hond die zowel een goede apporteur moest zijn als een uitstekende zwemmer.
Kenmerken
In Groot-Brittannië, Europa, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika, Australië en Japan is deze hond zeer geliefd.
Het is een van de zes retrieverrassen die we kennen: de Labrador retriever, de Flatcoated retriever, de Curly coated retriever,de Chesapeake Bayretriever en de Nova Scotia duck tolling retriever.
De golden retriever is energiek, werklustig en gehoorzaam van aard, en wordt dan ook graag gebruikt als gebruikshond zoals geleidehond, hulphond en jachthond. Ook als gezinshond is hij heel geschikt. Tegenover kinderen is hij doorgaans geduldig en goedmoedig, een echte mensenvriend, maar daardoor niet erg waaks.
Golden retrievers zijn over het algemeen sterk maar zijn wat zachter van aard dan de labradors.
De vacht van de golden retriever is lang en dik met een waterafstotende ondervacht en heeft weinig verzorging nodig. Regelmatig borstelen is echter wel nodig. Deze honden komen in verschillende kleuren voor: van bijna wit tot donkerbeige, tegen mahoniekleur aan. Schofthoogte van de reuen is 56-61 cm en van de teefjes 51-56 cm.
De golden retriever is door zijn intelligentie en leergierigheid goed op te voeden en werkt graag voor zijn baas. Op gehoorzaamheidswedstrijden doet hij het erg goed. Zijn baas zal hem een groot plezier doen door dingen met hem te ondernemen.
Golden Retriever